548497_617254494970487_395394592_n

I don’t have an office. I don’t have a desk.” Jack Dorsey, de CEO van Twitter en de man achter Square, gelooft niet in traditionele kantoren, vertelt hij in een 60 minutes interview van CBS.

Hebben we tegenwoordig nog een kantoor nodig? Vragen als deze gingen door mijn hoofd, toen ik dinsdag 9 april naar het VM-voorjaarscongres in Madurodam reed om daar de presentatie van Sarah Sladek bij te wonen. Bij aankomst had het net – voor het eerst in langere tijd – geregend. Het rook naar frisheid, voorjaar en nieuwe mogelijkheden. Een passende achtergrond voor de behandeling van het thema van die middag: de toekomst van de ledenvereniging. Ik wilde de gelegenheid benutten om Sarah de vraag te stellen waar ik na het lezen van haar boek (‘The End of Membership As We Know It’) mee was blijven zitten. Want als – zoals zij stelt – ‘change or die’ voor ledenverenigingen het devies is, heeft dat devies dan alleen betrekking op het ledenmodel? Of moeten we erkennen dat de wereld zo snel en zo fundamenteel verandert, dat we op dit moment met geen mogelijkheid kunnen zeggen hoe de ledenvereniging er anno 2020 uit zal zien?

De boodschap van Sarah is optimistisch: verenigingen kunnen overleven en hun dominante positie consolideren als zij open staan voor verandering en zich aanpassen aan gewijzigde omstandigheden. De maatregelen die zij voorstelt om ook in de toekomst aantrekkelijk te blijven voor leden, zijn navolgbaar en snijden hout. Alleen… die maatregelen lijken zonder uitzondering betrekking te hebben op het bestaande model van de (leden)vereniging. Mijn twijfel wordt vooral ingegeven door de vraag in hoeverre we er op mogen vertrouwen dat dit model ook in de toekomst houdbaar zal blijven? We zien dat technologische vernieuwing en de komst van internet de wereld ingrijpend verandert. We zien ook dat vanzelfsprekendheden verdwijnen en onzekerheid en onvoorspelbaarheid toenemen. Die ontwikkeling lijkt me op zijn minst een reden om een vraagteken te zetten bij de houdbaarheid van de structuur en het bestuursmodel van de (leden)vereniging, die – zoals Sarah Sladek opmerkt – vaak nog uit voorgaande eeuwen stammen.

Toen ik Sarah Sladek vroeg hoe zij aankeek tegen mogelijke gevolgen van de veranderingen voor de toekomstige structuur van verenigingen, antwoordde ze dat het nog te vroeg was om daar al iets over te kunnen zeggen. De toekomst zal het uitwijzen. Ik kon het onmogelijk met haar oneens zijn, behalve dan, dat ik denk dat de toekomst al enige tijd begonnen is. Die wordt zichtbaar in de bijna wekelijks voorbij komende voorbeelden waaruit blijkt dat mensen zich veelvuldig en op uiteenlopende wijze organiseren in nieuwe (netwerk)verbanden. Veelal voldoen die nieuwe vormen niet aan de definitie van ‘de vereniging’ zoals wij die kennen, maar daarom zijn ze voor verenigingsprofessionals niet minder belangwekkend. In potentie hebben ze alles in zich om tot een nieuw soort vereniging uit te groeien, en los daarvan zijn alleen al door hun explosieve groei interessant. Kennelijk voorzien ze in behoefte en oefenen ze  aantrekkingskracht uit.

Mensen – zo veel is duidelijk – blijven zich verenigen. En doen dat – als voorheen – op een wijze die tegemoet komt aan eigen wensen en behoeften. Dat zij daarbij geen rekening houden met de ongeschreven regels en conventies van het verenigingsmodel, komt vooral doordat de mogelijkheden om zich te organiseren, door de opkomst van internet geen beperkingen meer kent. Internet is een ‘game changer’.  Het is voor iedereen die daar behoefte toe voelt, mogelijk om zich ongeacht fysieke nabijheid, op elk moment – en in een zelfgekozen structuur of hoedanigheid – te verbinden met gelijkgestemden. En dat gebeurt: in grote getale, in vele vormen en we raken er steeds sneller aan gewend. Toen Obama in 2008 het internet benutte als middel om een grassroots campagne op te zetten en – mede daardoor – de verkiezingen won, was dat groot nieuws. Vier jaar later werd president Obama herkozen. Volgens zijn campagneleider Jim Messina was dit opnieuw het gevolg van een succesvolle campagne (“We won this election because of Barack Obama and people volunteered and came out in historic numbers.”) en toepassing van de nieuwste technologie (“ Polling got it wrong because of cell phones.”), maar echt nieuws wat het niet meer.

Dagelijks ontstaan nieuwe organisatie- en samenwerkingsverbanden die als ‘nieuwe vormen van verenigen’ aangemerkt kunnen worden. We zien ze op kleine schaal in de vorm van lokale initiatieven om een straat tot leven te wekken (zoals ‘Jan Eef’, gericht op het revitaliseren van de Jan Evertsenstraat in Amsterdam), of in de vorm van initiatieven om de sociale cohesie in een wijk te bevorderen (zoals ‘Icanchangetheworldwithmytwohands’). In reactie op bedrijven, instituties en een overheid die het belang van de klant, individu of burger uit het oog hebben verloren, verenigen burgers, klanten, bewoners en professionals zich in initiatieven en collectieven, om zelf de regie in handen te nemen in zaken als energieproductie, veiligheid, huisvesting, verzekeringen en zorg. In Rotterdam wordt ‘Buurt bestuurt’ ontwikkeld, een werkwijze waarin wijkbewoners en professionals samen problemen op wijkniveau aanpakken. Professionals uit de verpleging en thuiszorg – die vinden dat het belang van de patiënt in de zorg niet meer centraal staat – ontwikkelen een organisatie als Buurtzorg, met buurtzorgteams, die – zonder mannelijke managers, maar mét praktisch ingestelde vrouwen – professionele zorg op maat bieden en daarmee landelijk succes boeken. Steeds meer initiatieven ontstijgen het stadium van idee door ‘crowdfunding’. In Nederland zochten – en vonden – initiatiefnemers van het journalistieke platform ‘De Correspondent’ binnen 10 dagen de benodigde 15.000 ‘leden’ die bereid waren om de oprichting met een donatie van 60 euro mogelijk te maken. En in België tekenden in een week 26.000 ‘coöperanten’ zich in, toen initiatiefnemers 10.000 coöperanten zochten om een nieuwe coöperatieve bank – ‘New B’ – op te richten.

Net als bij ‘normale’ verenigingen ligt de aanleiding om zich te organiseren ook bij nieuwe initiatieven in een gevoel van urgentie; mensen organiseren zich om gezamenlijk een ideaal na te streven. Deze nieuwe vormen van verenigingen, verdienen om meerdere redenen aandacht. Ze bieden een kijkje in de krachten die bij het ‘verenigen’ een rol (gaan) spelen, lichten daarmee alvast een tipje van de sluier van toekomstige ontwikkelingen op en kunnen inspireren bij het denken over de ‘vereniging to be’. Bovendien verschillen ze in een aantal opzichten van de vertrouwde verenigingsvormen. De nieuwe verenigingsvormen hebben alle kenmerken van een bredere maatschappelijke ontwikkeling, die door internet en ongekende communicatiemogelijkheden in gang is gezet:

–        van onder op: het initiatief komt uit de basis. Gelijkgestemde individuen ontwikkelen beleid en beslissen.

–        structuur: egalitair. Vaak ‘platte’ (netwerk)organisatie, zonder sterke hiërarchische verhoudingen of afstand tussen bestuur en ‘bestuurden’. Omvang van management en directie is minimaal.

–        doel en focus: niet het product of het behartigen van belangen van de ‘eigen’ groep, onderneming, partij of beweging staan centraal, maar het bereiken van het hogere idealistische of altruïstische doel (welzijn van de mens, bescherming milieu etc.)

–        cultuur: sleutelbegrippen: gelijkwaardigheid, democratie, transparantie, vertrouwen, delen, transparantie, ‘wishdom of the crowds’.

–        technologie: intensief gebruik van technologie: internet en communicatietechnologie worden ten volle benut; grenzen van afstand, tijd, of fysieke aanwezigheid spelen geen rol meer.

–        verschijningsvorm: geheel of gedeeltelijk virtueel. Eigentijds en onconventioneel (maar…wie herinnert zich nu, een jaar later, nog de ophef bij beursanalisten over de capuchontrui die Mark Zuckerberg in 2012 droeg bij de beursgang van Facebook?).

–        lidmaatschap: relatie met ‘leden’ kan geheel of gedeeltelijk virtueel zijn. Lidmaatschap krijgt meer ad-hoc karakter, wordt vluchtiger.

–        rol van leden: door egalitaire karakter ontwikkelen ‘leden’ zich van volger, naar mede-initiator, participant en mede-beleidsbepaler.

–        status: vaak experimenteel. Vorm en functioneren worden om pragmatische redenen gekozen en zo nodig aangepast. Levensduur wordt gekoppeld aan het bereiken van het doel.

–        laagdrempelig: toetreden of ‘lid’ worden, vergt vaak niet veel meer dan een muisklik.

foto juni 2013

wordt vervolgd

Op June 3, 2013 door Menno in ongesorteerd
Tags , , , , , , , , ,

3 Reacties op “‘Change or die’ (I)”

  1. Guido Hulscher says:

    Wat ik me afvraag, is hoe een vereniging in zo’n toekomst kan overleven, wanneer ze zich primair richt op kennisoverdracht? De vereniging waar ik werk, kent specialisten, hobbyisten, beginners en niet-weters. Wij willen mensen aan ons binden omdat ze bij ons kennis kunnen krijgen, maar juist dat binden lukt niet. De interesse is er wel, maar zodra er een lidmaatschap aan vast blijkt te hangen, houdt het op. Als lid krijg je van alles gratis, maar vragen we voor één activiteit meer geld dan een jaar lidmaatschap, dan komen daar méér mensen op af. Mijn vereniging wordt dan een club van specialisten en hobbyisten, die vervolgens op hun beurt geen zin meer hebben om hun kennis op die manier te verkopen – ze zijn vrijwilligers, geen consultants.

    Heeft een kennisvereniging dan nog toekomst, of moeten we gewoon maar opgeven?

  2. Beste Guido, dank voor je reactie.
    We kunnen niet in de toekomst kijken, maar afgaand op wat wij al werkend, luisterend en lezend tegenkomen in de verenigingswereld, lijkt het verzamelen en delen van kennis sec. op termijn niet voldoende om als vereniging te overleven. Kennis komt in steeds ruimere mate (en vaak gratis) beschikbaar via internet. Een kennisvereniging verliest daardoor langzaam maar zeker toegevoegde waarde. Voor geïnteresseerden rechtvaardigt het bieden van kennis alleen, daarom geen lidmaatschap.
    Dat er op een evenement waarvoor jullie meer vragen dan één jaar lidmaatschap juist meer mensen afkomen, lijkt misschien paradoxaal, maar is het niet. Zo’n activiteit voldoet aan een kenmerk dat verenigingen – verwachten wij – in de toekomst nodig zullen hebben om te overleven: daarin is een gedeeld gevoel (bijvoorbeeld saamhorigheid, samenzijn van – een kleine groep – gelijkgestemden) de bindende factor. Wij verwachten dat rationele redenen voor lidmaatschap (informatie, netwerkmogelijkheden, kennisuitwisseling, financieel voordeel) in de toekomst minder zwaar gaan wegen als reden voor lidmaatschap en dat emotionele redenen (gevoelsmatige verbondenheid met mede-leden, gedeelde overtuigingen, urgente aanleidingen) belangrijker worden. Het lidmaatschap zal dan een meer ad-hoc karakter krijgen, met meerdere menu’s voor uiteenlopende smaken.
    Groet, Menno van der Velde

  3. Dank voor je antwoord, Menno! Wat ik dan voor me zie als eerste stap in die transitie, is een klein kantoor dat de vrijwilligers en leden faciliteert om zonder formele zaken samen (tijdelijk) iets op te zetten dat ze bindt. Dat kan in ons geval (HCC, vereniging van computergebruikers) zijn op het gebied van kennisverwerving, maar ook hobbyisme (een projectgroep die een app maakt).

    Nu is het allemaal nog erg centraal en formeel gestuurd, maar dat zullen we dus moeten loslaten. De uitdaging ligt dan juist daar: de financiën zullen toch rechtvaardig verdeeld moeten worden! Een evenwicht tussen vrijheid en rechtvaardigheid (dat die twee tegenover elkaar kunnen staan had ik me nog nooit gerealiseerd) moet gevonden worden.

    Ik zal die ideeën eens intern neerleggen – ik ben benieuwd of we die slag kunnen maken!

    Groet,

    Guido

Laat een reactie achter