Gerard ReveEigenlijk geloof ik niets, en twijfel ik aan alles, zelfs aan U’, schreef Gerard Reve in 1966 in zijn gedicht ‘Dagsluiting’. Deze beginregel raakte destijds een gevoelige snaar. Niet door de zoektocht naar de ‘U’, maar door de moed om in alle eerlijkheid permanente twijfel te bekennen. Dat vond ik – we spreken over de jaren zeventig van de vorige eeuw – zeer opmerkelijk. Gerard Reve was voor mij iemand die tot de ‘ouderen’ behoorde. Maar anders dan de ouderen die ik kende, probeerde hij zich in de sterk veranderende wereld niet staande te houden door krampachtig de schijnzekerheid van het eigen gelijk te koesteren. De ouderen in mijn omgeving – grootouders, leraren, autoriteiten, experts – twijfelden nooit. Ze wisten het: hoe de vlag er bij stond, wat er moest gebeuren en hoe het verder moest. Alleen: ze redeneerden vanuit een referentiekader dat was gevormd door maatschappelijke verhoudingen die hun uiterste houdbaarheidsdatum naderden. En spraken een taal waarin veel jongeren zich niet herkenden. De veranderingen die in de ‘wilde jaren zestig’ in gang waren gezet, bleken onomkeerbaar en alles wat lang vast en zeker had geleken, begon te schuiven.Femke Correspondent

Onlangs werd ik geraakt door een vergelijkbaar vertoon van moed, door bekentenis van oud-politica Femke Halsema in haar column voor De Correspondent van 10 november. Daarin bekent ze dat ze terugkomt op een eerder geschreven versie, die ze bij nader inzien niet heeft willen plaatsen, omdat die te rechtlijnig, te eenduidig was. De eerste versie had te veel de schijn van zekerheid en verhulde de twijfels die haar al schrijvend waren bekropen. Uiteindelijk besluit ze de column te herschrijven en te bekennen dat ze antwoord op de vraag – welke houding aan te nemen ten opzichte van de ontwikkelingen in Syrië? – niet kan beantwoorden. Eenvoudig weg omdat ze ‘het eigenlijk niet weet.’

Net als een halve eeuw geleden zijn we weer terecht gekomen in een overgangsfase van tijdperken.  Door technologische ontwikkelingen, de snelle opkomst van internet en introductie van sociale media verandert de wereld op globale schaal in een tempo dat voor organisaties en mensen amper bij te houden is. En net als vijftig jaar geleden bekijken ouderen en jongeren de wereld vanuit een ander referentiekader. De jongste generaties, die nu de maatschappij instromen, zijn gevormd door het opgroeien in een wereld waarin het verschil tussen tastbare en virtuele werkelijkheid verdwenen is. Zij ervaren anders, beleven anders, staan anders in de wereld en spreken een taal waarin ouderen zich niet herkennen. Voor deze jongeren zijn de zekerheden van de ouderen al lang niet vanzelfsprekend meer. Waarom naar de winkel als het online te bestellen is? Waarom lid worden van een vakbond? Of politieke partij? Wat zijn dat, branche- en beroepsverenigingen? Vaste telefoon? Onzin. Een omroepvereniging? Que?

Stoere vouwenHet is begrijpelijk dat deze ontwikkeling vanuit de verenigingswereld met argusogen wordt bekeken. Verenigingen in alle soorten en maten hebben hun ledenbestand in de afgelopen decennia gestaag zien dalen en de nieuwste ontwikkelingen zijn bedreigend voor hun positie en rol. Nu iedereen die dat wil, zich – ongeacht plaats, tijd of fysieke aanwezigheid – met ieder ander kan verbinden, informatie in kan winnen of verspreiden, is het nemen van initiatief voldoende om zich te organiseren. En dat gebeurt. Op grote schaal. Er is een explosie van netwerkverbanden waarin gelijkgestemden elkaar vinden en gezamenlijk een doel na streven. Daarmee wordt rol en toegevoegde waarde van het traditionele organisatieverband ‘vereniging’ aangetast.

Natuurlijk er is Nederland nog geen equivalent van verenigingen als het gaat om zaken als het afsluiten van een CAO of het lobbyen op landelijke schaal. Maar ondanks dat, is het verenigingen duidelijk dat er – willen ze overleven – een passend antwoord gevonden moet worden dat er voor zorgt dat verenigingen weer een betekenisvolle rol krijgen voor hun achterban. Maar dan volgen vragen: hoe moet dat antwoord vorm krijgen? Wat moet de inhoud zijn? Wie moet dat formuleren? In de jaren zestig probeerden de oudere generatie soms krampachtig jongeren te overtuigen door de inhoudelijke boodschap ongemoeid te laten, maar de vorm te veranderen. Dat leverde verschijnselen als de ‘beatmis’ op; een tamelijk kansloze poging om oude wijn in nieuwe zakken aan de man te brengen. Het lijkt zaak om die fout te vermijden. De recente introductie van de  ‘digitale kerk’, biedt wat dat betreft weinig hoop; de onlangs door de paus geschreven apostolische brief Evangelli Gaudium – waarin hij uiteenzet welke veranderingen hij wil bewerkstelligen –  des te meer.

Geluiden, opgevangen tijdens het Vereniging Management Jaarcongres in oktober, stemmen hoopvoller. Er waren meerdere sprekers die over de droom voor de toekomst van hun vereniging spraken, waaronder verenigingsdirecteur Peter Niesink van de BOVAG. Die vertelde over een – in essentie door leden gestuurd – veranderingsproces dat uiteindelijk tot een ander verenigingsmodel bij de BOVAG heeft geleid, waarin leden ‘in the Ton Pielkenroodlead’ zijn. En ook directeur Ton Pielkenrood van de BFBN maakt meldig van een succesvol continue veranderingsproces waarmee de brancheorganisatie up-to-date wil blijven en wil doen wat de leden en het bestuur willen. De organisatie is, meldt Pielkenrood, is weer helemaal een bottom-up organisatie geworden, klaar voor de toekomst en ‘het gaat hartstikke goed. We hebben geen één lid verloren.’

Deze sprekers illustreren dat het, voor organisaties die dat echt willen, mogelijk is om te veranderen. Dat het in gang zetten van veranderingen een open communicatie met leden veronderstelt. Daarmee behoren ze tot de voorhoede. Uit onze praktijk weten we dat niet elke vereniging al zover is. Ook als de noodzaak van veranderen erkend wordt, ontbreekt de kracht om een proces te starten. Voor deze verenigingen lijkt het kopiëren van elders gevonden oplossingen aantrekkelijk. Maar daarmee zouden ze een belangrijke stap over het hoofd zien: het beantwoorden van fundamentele vragen over de rol, positie en functioneren van de vereniging is een onmisbaar deel van het proces, een schakel die tot zelfinzicht leidt. Voor deze verenigingen is het beter om, net als Gerard Reve en Femke Halsema, eerlijk te zijn en te twijfelen. Echte nieuwsgierigheid, een open houding en de moed om de stand van zaken onbevooroordeeld onder ogen te zien, zijn onmisbare ingrediënten voor het  succesvol zoeken naar een nieuwe rol en inhoud die aansluit op een veranderende wereld. Back to basics en dan verder.

wordt vervolgd

Op November 28, 2013 door Menno in bestuur, meningen leden, ongesorteerd, ontwikkelingen, vereniging
Tags , , , , , , , , , , , ,

Laat een reactie achter