lipstick-1

Elke vereniging die nog-niet-leden wil bereiken worstelt. Hoe bereik je een eindeloos versnipperde potentiële achterban? Hoe kun je duidelijk maken dat je precies past bij de behoefte om met elkaar iets relevants in de wereld te doen? Hoe laat je zien dat het helemaal niet oubollig en suf is om dat in een vereniging te doen? Over gevoel en het aantrekken en binden van nieuwe leden.

Om een idee te krijgen hoe de doelgroep ‘potentiële leden’ bereikt zou kunnen worden, ligt het in de rede om te kijken naar vormen van ‘zich verenigen’ die er wel in slagen om grote groepen mensen aan zich te binden. Want – het is al vaak opgemerkt – mensen zijn niet minder geneigd om zich te organiseren maar kiezen voor andere vormen om dat te doen. Denk aan de successen van Obama’s verkiezing, aan  ‘La République En Marche’ van Macron, aan de activistische netwerkbeweging Avaaz.org  met 44.956.895 ‘leden’ in 194 landen (stand 8 augustus 2017 11:00 uur). Of, om dichter bij huis te blijven, aan de succesvolle campagne van GroenLinks bij de afgelopen Kamerverkiezingen, waarbij de partij zich meer als beweging dan als politieke partij manifesteerde. Er zijn al vele pogingen gedaan om het succes van dit soort bewegingen te verklaren en de relevantie daarvan voor klassieke verenigingen te duiden. verder lezen »

Gaugin, Le paradis perdu

Gaugin, Le paradis perdu

Wat verenigingsbewustzijn betreft, was ik een laatbloeier. Het duurde tot mijn adolescentie voordat ik op dat gebied ‘de jaren des onderscheids’ bereikte. Maar toen was het dan ook meteen gedaan met het lidmaatschap van clubs ‘omdat het zo hoorde’. Daarvoor in de plaats kwam een besef van clubs waar ik wel en waar ik niet bij wilde horen. Tot die laatsten behoorde de studentenvereniging. Puur gevoelsmatig en vooral ingegeven door het beeld dat ik daar van had. Hoewel er een aantal waren, associeerde ik als VWO’er en aankomend student in Groningen, het begrip ‘studentenvereniging’ vooral met het roemruchte Vindicat atque Polit. En met het gedrag en publieke optreden – waaronder ontgroeningen – van haar leden. Dat er mensen bestonden die zich graag bij zo’n club wilden aansluiten was voor mij destijds een raadsel. En dat juist de meest bedeesde meisjes van mijn eindexamenklas aankondigden lid te willen worden van Vindicat, maakte de zaak nog raadselachtiger.

Maar dat was toen. Nu ik me beroepshalve bezig houd met de verenigingen, zie ik het toch even anders. Gezien door een professionele bril vond ik de berichtgeving over de uit hand gelopen ontgroening bij Vindicat bepaald verheugend. Toen het Amsterdamse studentencorps even later ook nog wat ‘kleine’ incidentjes meldde, sloeg de vreugde bijkans om in een lichte euforie. Niet alleen omdat er nog steeds jongens en meisjes zijn die er alles voor over hebben om bij een club te komen, maar vooral om de boodschap die er van uit gaat richting professioneel Nederland Verenigingsland: het kan.

Zoals bekend worstelen Nederlandse verenigingen al vele jaren met agendapunt nummer 1: ledenbehoud en ledenwerving. Een taai en hardnekkig gevecht dat ondanks fikse offers meer verliezers dan winnaars lijkt te kennen. En dan is er een studentencorps dat meldt dat de populariteit van de vereniging – ondanks alle ophef en negatieve publiciteit – hoog is. Dat aspirant leden tegen de plint omhoog klotsen. Dat de vereniging het aantal lidmaatschapsaanvragen bijna niet aan kan. Voor menig vermoeid verenigingsprofessional moet dat vragen oproepen, maar ook balsem voor de ziel zijn: ledenaanwas…kennelijk is het mogelijk, maar waarom zij wel en wij wel?

bizutagesIk ben geen marketinggoeroe en grossier niet in waarheden, maar als het om aantrekkingskracht van verenigingen gaat heb ik wel een vermoeden. Het belangrijkste verschil tussen een studentenvereniging als Vindicat en de gemiddelde branche- of beroepsvereniging ligt in het oproepen van emotie. Vindicat deed – en doet – dat in sterke mate. Professionele verenigingen doen dat veel minder. De keuze van mijn bedeesde vrouwelijke klasgenoten voor Vindicat was – zo bleek in gesprekken, die ik destijds al als ledenonderzoeker in spe voerde – vooral gebaseerd op het imago van de vereniging en het verhaal dat daarbij hoorde. Tussen de regels door klonk de hoop dat het lidmaatschap van Vindicat de poort zou openen naar het gedroomde leven, waarin zij – zo mogelijk aan de arm van hun eigen topman – een wereld van status en welstand binnen zouden wandelen. Wat Vindicat bood was niet zozeer ledenvoordeel, als wel een belofte. Dat was – en is waarschijnlijk nog steeds – de kracht van elk studentencorps.

De doorsnee propositie van professionele verenigingen concentreert zich veelal op tastbare voordelen – prijs, informatie, product- en dienstverlening – maar appelleert niet of nauwelijks aan de emotionele beleving van lidmaatschap. Misschien zijn ze er, maar ik ken geen branche- of beroepsvereniging waarvan het lidmaatschap door jongeren als belofte wordt ervaren. Er lijkt alle reden voor verenigingen om – in het kader van ledenaanwas en ledenbehoud – te investeren in niet tastbare zaken als het imago en een verhaal dat emoties oproept. Wellicht is het een idee om eens in alle rust over dit onderwerp van gedachten te wisselen met vertegenwoordigers van de Algemene Senaten Vergadering – ervaringsdeskundigen par excellence. Wie weet waar een goed glas en wederzijdse inspiratie toe leiden.

Fries en TimHoe de branchevereniging van de toekomst er ook uit ziet; actieve betrokkenheid van leden is onontbeerlijk. Aldus Fries Heinis (algemeen directeur Bouwend Nederland) en Tim van der Rijken (algemeen secretaris VACO) in een artikel in het jubileum nummer BouwendNL 2015-1.

Fries Heinis verwacht dat Bouwend Nederland de komende jaren meer naar leden toe zal gaan, dat ledencontact zich verder zal ontwikkelen, veel directer zal gaan verlopen en zich meer zal gaan afspelen op regionaal en afdelingsniveau. Als grootste uitdaging voor de komende tien jaar ziet hij het ‘verleiden van leden tot meer betrokkenheid en verbinding met elkaar’. ‘De organisatiegraad’, aldus Heinis, ‘moet tot in de haarvaten worden uitgerold’. Van der Rijken betoogt in het artikel dat, wil een brancheorganisatie succesvol zijn, vier onderdelen scherp in de gaten moeten worden gehouden: de middelen, de mix van activiteiten, sturing en besturing en – als essentieel verbindend element – de strategie. Hij voorspelt dat brancheorganisaties de komende tien jaar leden meer en meer zullen betrekken bij de beleidsvoorbereiding en uitvoering. verder lezen »

OI kers

Morele grenzen
Soms valt dan opeens die welbekende druppel, loopt de emmer over en voel je je als mens gedwongen om te reageren. Youp van ’t Hek koos er voor om dat al te doen voordat die laatste druppel goed en wel gevallen is. Uit voorzorg. Want hij heeft in zijn leven een paar grenzen gesteld. En die dreigen te worden overschreden. In zijn column in NRC Handelsblad van 2 augustus kondigt hij aan afscheid van de krant te nemen als NRC wordt overgenomen door de Telegraaf. Ook als de journalistieke onafhankelijkheid gewaarborgd blijft. Als het tot overname zou komen, meldt Youp, zal hij de krant met opgeheven hoofd verlaten en voegt daar aan toe ‘en ik ga er van uit dat ik dat niemand hoef uit te leggen.’ Als NRC lezer ga ik er ook van uit dat dat niet nodig is. Dat heeft alles met imago en reputatie te maken. verder lezen »

leden rabobankHet einde van het jaar nadert. Lig ik hier gebutst en gehavend, moreel beschadigd en herstellend van een knock out, na een dolle rit in de achtbaan. Was ik na lang aarzelen eindelijk eens ergens lid van geworden, krijg je dit.    verder lezen »