Voorbeelden

Een landelijke federatie die de collectieve belangen van de artsenstand in Nederland behartigt, krijgt signalen van artsen van verschillende ‘bloedgroepen’ die suggereren dat bij leden onvoldoende bekend is wat de federatie doet; het onderscheid tussen activiteiten van de federatie en de eigen beroepsgroep is vaag en de bekendheid met zaken die op federatieniveau geregeld worden is gering. De federatie laat een behoefte onderzoek uitvoeren dat duidelijk moet maken waar leden – naast de bestaande dienstverlening – vooral behoefte aan hebben en op welke punten de informatievoorziening en communicatie verbeterd kan worden.

 

Een landelijke vakbond oriënteert zich op mogelijkheden om de betrokkenheid van bepaalde ledengroepen te verhogen en wil in dat kader beter inzicht in de wensen, behoeften en ideeën van leden ten aanzien van het lidmaatschap. Waar associëren leden het lidmaatschap van de bond mee? Herkennen zij zich voldoende in het beleid van de bond? Op welke wijze heeft het lidmaatschap een meerwaarde? Wat kan de bond doen om ‘dichter bij’ de leden te staan?

 

Een beroepsvereniging die al ruim vijftig jaar bestaat, leidt volgens bestuursleden een kwijnend bestaan. De leden zijn – op een klein aantal actieve bestuursleden na – zo inactief, dat het bestuur nauwelijks een idee heeft wie de leden zijn, waarom zij lid blijven en wat ze bezig houdt. Naar verwacht zal het reactiveren van de vereniging de nodige investeringen in tijd en energie kosten, vooral waar het de aansluiting bij het digitale ontwikkelingen betreft. De vraag is, of een dergelijke investering kans van slagen heeft: zijn er voldoende leden bereid om daar een bijdrage aan te leveren? En is er genoeg belangstelling voor het lidmaatschap om de vereniging te laten voortbestaan? Of kan die maar beter opgeheven worden?

 

Bij een Nederlandse ondernemersorganisatie bestaan plannen om de twee van de circa tien vakgroepen te laten fuseren.  Het succes van een eventuele fusie zal afhangen van de mate waarin de leden van beide groepen elkaar qua werkzaamheden aanvullen en de mate waarin de wensen en verwachtingen van leden uit de twee vakgroepen elkaar overlappen. Om daarover meer zekerheid te krijgen, wordt ledenonderzoek bij de leden van beide vakgroepen uitgevoerd. Het onderzoek moet ook inzicht verschaffen in de vraag waarom zoveel leden inactief zijn als het op verenigingszaken aankomt.

 

Een landelijk opererende stichting is ondernemers in de financiële dienstverlening, door ze te ondersteunen bij van het voldoen aan alle wet en regelgeving voor financiële tussenpersonen. Dat gebeurt sinds enkele jaren. Behalve van de deelnemers die contact hebben opgenomen met servicedesk, is weinig bekend van de – grotere groep – deelnemers die dat nooit hebben gedaan. De vraag is hoe deelnemers het lidmaatschap van de stichting waarderen, wat zij er goed aan vinden en welke zaken eventueel voor verbetering in aanmerking komen. De stichting gebruikt de uitkomsten van het onderzoek voor een kwaliteitslag, door het beleid voor de naaste toekomst aan te passen aan wensen en behoeften van deelnemers.

 

Een Nederlandse beroepsvereniging voor verpleegkundigen staat op het punt om het beleid aan te passen aan de eisen van de tijd en vraagt leden zich uit te spreken over de te volgen koers. Hoe tevreden zijn leden over het functioneren van hun beroepsvereniging? Wat doet de vereniging goed en wat kan beter? Welke kwaliteitseisen moeten aan het lidmaatschap gesteld worden? Moet de beslisstructuur meer gecentraliseerd of geregionaliseerd worden? Aan welke eisen moet het beroepsonderwijs voldoen?

 

Een Nederlandse federatie van artsen wil van tijd tot tijd van leden weten hoe artsen oordelen over actuele medisch ethische onderwerpen en peilt daarom periodiek de mening van een steekproef van arts-leden. De peilingen moeten aantonen welk draagvlak er voor standpunten is. Hoe denken leden over dit onderwerp? Welk standpunt moet de vereniging innemen? Wat moet de vereniging richting Den Haag bepleiten? En als officieel standpunt naar de pers ventileren? Wat moet de vereniging de leden adviseren?

 

Een landelijk opererende ideële vereniging voor een vrijwillig levenseinde wil met regelmaat toetsen in welke mate het beleid en de standpunten van de vereniging overeen stemmen met denkbeelden van leden over aspecten van bewuste levensbeëindiging. Hoe denken leden over dit onderwerp? Wordt het standpunt van de vereniging onderschreven door een meerderheid van de leden? Waar wijkt de mening van leden af? En waarom? Zijn de denkbeelden van leden een reden om beleid op bepaalde punten te heroverwegen?

 

Zoals alle openbare bibliotheken, ziet ook de bibliotheek in Z. haar rol veranderen, vooral door de snelle opmars van informatietechnologie. De bibliotheek wil weten hoe tevreden de leden over ‘hun’ bibliotheek zijn en inventariseren of zij mogelijkheden zien om de aantrekkelijkheid van de bibliotheek te verhogen. Wat zijn voor leden redenen om de bibliotheek te bezoeken? Hoe is het bezoekgedrag? Waarover zijn leden tevreden of ontevreden? Wat zien zij zelf als het meest plezierige, goede punten en wat als de meest onplezierige, slechte punten van (bezoek aan) de bibliotheek? Worden bepaalde ideeën of suggesties gesteund door een meerderheid van de leden?